
| Afleggen | Twijg of tak die op de bodem is gelegd om daar te wortelen. |
| Afzetten | Het hakken of terugzetten van bomen of struiken, die daarna veelal meerstammig uitlopen . Zie hakhout. |
| Akkermaalshout | Hakhout of strubbenbos. |
| Archeobotanie | Geschiedenis van de plantenwereld aan de hand van plantenresten in de bodem. |
| Archeofyt | Plantensoort die vóór 1500 ingeburgerd is. |
| Areaal | Natuurlijk verspreidingsgebied. |
| Autochtoon | Plant die zich sinds de hervestiging na de ijstijd ter plekke altijd natuurlijk heeft verjongd, of door mensen is geplant, gesticht of gezaaid met strikt lokaal oorspronkelijk materiaal. Ook wel oorspronkelijk inheems genoemd. |
| Beukenboombos | Lokale naam voor bos op de Veluwe (Ge) dat bestaat uit opgaande beuken, dat ontstaan is uit eeuwenlang beheer door mensen. De vorm van de bomen wijst op een vroeger beheer als hakhout, dat via een spaartelgenbos tot het huidige opgaande bos werd omgevormd. |
| Bladvoet | Onderste deel van de bladschijf op de grens met de bladsteel. |
| Boccagelandschap | Heggenlandschap |
| Bosplantsoen | Aangeplante houtkant of houtsingel. Begrip vooral van na 1950. |
| Bovenstandig vruchtbeginsel | Vruchtbeginsel dat op de bloembodem staat, waardoor het vruchtbeginsel volledig zichtbaar is. |
| Broekbos | Bos op natte, drassige bodem. |
| Bronbos | Een op drassige grond groeiend (broek)bos, op plaatsen waar grondwater aan de oppervlakte komt. |
| Bronstijd | Periode van circa 2000-1000 v .Chr . |
| C-14 methode | Dateringsmethode aan de hand van metingen van radioactieve koolstof in planten. |
| Dekzand | Zand dat tijdens en na de ijstijden door de wind is afgezet. |
| Dendrochronologisch datering | Dateringsmethode aan de hand van jaarringen van bomen. |
| DNA-techniek | Onderzoeksmethode naar de erfelijke (DNA-) eigenschappen van organismen. |
| Dries | Plein van een dorp of gehucht. |
| Drijftil | Drijvend eilandje bestaande uit een natuurlijk vlechtwerk van wortels, gevormd door de daarop groeiende moerasvegetatie. |
| Dubbel- en meervoudig gezaagd blad | Gezaagde bladrand waarbij de tanden zelf ook nog gezaagd zijn. |
| Dunning | Kap van bomen die voor de ontwikkeling van andere bomen moeten wijken. |
| Ecologie | De wetenschap van de relaties tussen levende organismen (planten, dieren, mensen) en hun omgeving. |
| Ecologische Hoofdstructuur | Samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen natuurgebieden en de verbindingen daartussen. |
| Eenhuizige plant | Plant met zowel mannelijke als vrouwelijke bloemen. |
| Eenslachtige bloem | Bloem die alleen stampers (vrouwelijk) of alleen meeldraden (mannelijk) bevat. |
| Endemische soort | Soort met een zeer beperkt lokaal verspreidingsgebied. |
| Euforgen | Organisatie die zich met de genetische bronnen van het Europese bos bezig houdt (European Forest Genetic Resources Programme). |
| Eutrofiering | Voedselverrijking, vaak door bemesting of stikstofneerslag vanuit de lucht. |
| Exoot | Zie uitheemse soort. |
| Fenologie | Kennis van seizoensverschijnselen bij planten en dieren zoals bloei, zaadzetting en vogeltrek. |
| Genenbanken | Een verzameling van levende planten of dieren met als doel een belangrijk deel van de genetische variatie veilig te stellen. |
| Genenbron | Bomen of planten beschouwd als bron van (waardevol) genetisch materiaal. |
| Genetische variatie | Variatie in het erfelijk materiaal van soorten of tussen individuen of populaties van soorten. |
| Genusspecifiek | Organisme dat voor een deel van zijn levenscyclus, dan wel voor zijn hele levenscyclus afhankelijk is van soorten van een bepaald geslacht. |
| Geriefbos | Bos in agrarisch gebied dat voor gebruikshout dient, bijvoorbeeld voor het maken van afrasteringen of brandhout. |
| Getuigeheuvel | Heuvel in het landschap die getuigt van een oude geologische bodemlaag. |
| Gezaagd blad | Bladrand met ondiepe, spitse insnijdingen en spitse uitsteeksels, zoals de tanden van een zaag. |
| Glaciaal | Periode van de ijstijden. |
| Graft | Steile wal als begrenzing van een perceel in het heuvelland; vaak begroeid met een heg of houtkant. |
| Grub | Holle weg of droogdal, waarbij de steile randen veelal begroeid zijn met struweel, hagen of houtkanten. |
| Haag of heg | Perceelscheiding met bomen of struiken, die zeer dicht bij elkaar geplant zijn en die door snoei laag wordt gehouden, ca.1 meter tot 3 meter hoogte. Zeldzamer zijn hogere hagen, soms ook door doorgroeien ontstaan. Zie kaphaag. Heggen kunnen aangelegd worden als vlechtheg, gelegde heg of alleen als snoeiheg. Bij een gelegde heg worden de stammen vlak boven de grond tot op driekwart ingehakt en op de grond gebogen. Deze liggende stammen groeien weer uit en kunnen al dan niet gevlochten worden. |
| Hakhout | Vorm van bosbeheer waarbij de stam al vroeg wordt afgezet. Hierna worden de aangrenzende telgen of takken om de 6 of maximaal 20 jaar afgehakt tot op de stoof of stobbe. Op deze wijze kan een zeer hoge ouderdom van de bomen verkregen worden. Bij het achterwege blijven van het hakhoutbeheer groeien de stobben uit tot vaak grillige meerstammige bomen. |
| Hakhoutstoof | Veelal grillige basis van hakhoutbomen, ontstaan door jaren, soms eeuwen van hakhoutbeheer |
| Hardhout ooibos | Rivierbegeleidend bos dat periodiek, maar niet langdurig overstroomd wordt. Het bos bestaat uit hardhoutsoorten zoals iep en es. Vergelijk zachthoutooibos met wilgen. |
| Helmknop | Bovenste deel van de meeldraad, met (meestal twee) helmhokjes, waarin het stuifmeel wordt gevormd. |
| Holoceen | Jongste geologische tijdperk na de ijstijden, vanaf circa 9800 v .Chr . |
| Hooghoutbos | Zie opgaand bos. |
| Houtkant | Houtkant: lijnvormig(e) landschapselement, perceelscheiding of oever van een waterloop, veelal beplant met bomen en struiken. De bomen kunnen opgaand zijn, spaartelg, of als hakhout of knotboom worden beheerd. Het begrip houtsingel en singel is synoniem. Houtkant wordt vooral in Vlaanderen gehanteerd. In Nederland worden houtkanten en houtwallen beide houtwallen genoemd. Houtkanten, houtwallen en hagen kunnen aangelegd zijn als veekering en soms als verdediging. |
| Houtsingel | Zie houtkant en houtwal. |
| Houtskool | Verkoold hout, gebruikt o.m. ten behoeve van brandstof (bij ijzersmelten b.v.), als bestanddeel van buskruit. |
| Houtwal | Houtwal: houtkant of houtsingel op een verhoogde wal. In Nederland wordt houtwal ook wel als synoniem gebruikt voor houtkant. Zie houtkant. |
| Hudewald | Zie veeweidebos. |
| Hybride | Kruisingsproduct van twee (een enkele keer meerdere) soorten. Variëteiten van hybriden worden nothovariëteiten genoemd. |
| IJzertijd | Periode van circa 1000 v .Chr . tot de komst van de Romeinen. |
| Inheems | Inheemse plant (synoniem: indigeen); plantensoort die binnen zijn natuurlijke verspreidingsgebied (of areaal) voorkomt. |
| Invasieve plant | Exotische of uitheemse plant die in een gebied buiten zijn natuurlijke areaal plotseling en in grote aantallen verschijnt. |
| Kaphaag | Haag van lage knotbomen met een kleine plantafstand van 30 tot 100 cm . Vooral in de Vlaamse leemstreek bekend . |
| Kensoort | Kenmerkende soort van één bepaalde plantengemeenschap. |
| Kloon | Meestal een stek van een boom of struik, die genetisch identiek is aan de ouderplant. |
| Knuppelpad | Pad gemaakt van boomstammetjes om een moerassig terrein begaanbaar te maken. Bekend van de late prehistorie. |
| Kortlot | Zijtak die snel met zijn lengtegroei stopt; valt op door de korte afstand tussen de knoppen. Meestal zitten ook de bloemknoppen op het korte zijlot. |
| Kurklijsten | Dood, kurkachtig weefsel dat zich op de tak of stam vormt. |
| Landras | Regionale fruitvariëteit. |
| Landschapselement | Onderdeel of element van het landschap, zoals een houtkant , bosje of weiland. |
| Langlot | Lange éénjarige zijtak met vrij grote afstand tussen de knoppen. |
| Lenticel | Opening in de bast en schors waardoor gasuitwisseling plaatsvindt met de atmosfeer. |
| Lichtminnende plant | Soort die voor zijn groei vrij veel licht nodig heeft. In de schaduw stopt de groei, wat uiteindelijk tot afsterven kan leiden. |
| Macroresten | Relatief grote resten van planten en dieren zoals zaden, vruchten of takken. Macroresten zijn het onderwerp van archeobotanisch onderzoek. |
| Malebos | Bos in eigendom en beheer van een zogeheten maalschap: een marke of dorpsgemeenschap. |
| Markebos | Zie malebos. |
| Mast | De jaarlijkse productie van boomzaden van een bepaalde boom- of struiksoort. Mast bestaat vooral uit eikels en beukennoten die als varkensvoer werden gebruikt. |
| Mastjaar | Jaar met grote zaadproductie. |
| Meiler | Berg van boomstammetjes, afgedekt door plaggen en aarde, voor de productie van houtskool. |
| Middelbos | (Ook wel middenbos) Tussenvorm van hakhoutbos en opgaand bos. Ook wel hakhout met boven- of overstaanders genoemd. |
| Middenbos | Zie middelbos. |
| Migratie | Natuurlijke verplaatsen van planten en dieren van de ene regio naar de andere. |
| Morfologisch kenmerk | Kenmerk betreffende de uitwendige bouw en vorm van een plant of van een onderdeel ervan. |
| Neofyt | Plantensoort die na 1500 ingeburgerd is. |
| Neolithicum | Ook wel jonge steentijd genoemd. Periode van circa 5300-2000 v .Chr . |
| Nothovariëteit | Variëteit van een hybride plant. |
| Oerbos | Natuurbos dat zich na de ijstijd eeuwenlang zonder of met zeer weinig menselijke bemoeienis ontwikkeld heeft. |
| Onderstandig vruchtbeginsel | Een vruchtbeginsel dat diep in de bloembodem is verzonken en er mee vergroeid is. |
| Ooibos | Rivierbegeleidend bos dat periodiek overstroomt. |
| Oorspronkelijk inheems | Zie autochtoon. |
| Op enen zetten | Zie spaartelg. |
| Opgaand bos | Bos met natuurlijk opgroeiende bomen, in tegenstelling tot hakhout. Synoniem: hooghout. |
| Oudbosindicator | Organisme dat op de aanwezigheid van oud bos duidt. |
| Oude bos(groei)plaats | Boslocatie die ten minste in het midden van de negentiende eeuw als bos op de historische kaarten staat aangegeven en welke tot op heden onafgebroken een boslocatie is gebleven. Het huidige bos hoeft echter niet uit autochtone bomen te bestaan. |
| Oude boskern | Actuele groeiplaats van bomen en struiken (oude bosgroeiplaats), meestal oud hakhoutbos, waarbij de bomen afstammelingen zijn van de autochtone flora. |
| Pleistoceen | Periode, ongeveer 2 miljoen jaar geleden begonnen tot 10.000 v. Chr. Tijdperk gekenmerkt door ijstijden. |
| Pleistoceen gebied | Gebied gevormd in het Pleistoceen; zoals het pleistocene dekzandgebied. |
| Plenterbos | Bos met gespreide individuele kap van bomen. Daarbij verjongt het bos zich spontaan en blijft het bosklimaat en de natuurlijke soortensamenstelling grotendeels intact. |
| Pluim | Bloeiwijze samengesteld uit trossen of bijschermen; de bloemen ontluiken van onder naar boven, of van buiten naar binnen. |
| Pollenanalyse | Onderzoeksmethode waarbij aan de hand van de samenstelling van stuifmeel in de bodem de vegetatiegeschiedenis wordt gereconstrueerd. |
| Populatie | Een groep organismen van dezelfde soort die in de directe nabijheid van elkaar voorkomen. |
| Preboreaal | De eerste warmere periode die na de laatste ijstijd wordt onderscheiden (van circa 9800-8000 v .Chr .). |
| Rabat | Smal stuk grond tussen greppels, dat opgehoogd is met de grond die vrijkomt bij het graven van de greppels. Vaak toegepast in nat terrein waardoor er ook bos (o.a. hakhout) aangeplant kan worden (rabattenbos). |
| Rivierestuarium | Riviermond waar de invloed van de getijden duidelijk merkbaar is. Ook wel rivierdelta genoemd. |
| Ruigtkruiden | Hoogopgaande kruidachtige planten die karakteristiek zijn voor dynamische plekken zoals rivieroevers en braakliggende terreinen. |
| Run | Eikenschors, gebruikt als looistof. |
| Scherm | Bloeiwijze waarbij alle bloemen ongeveer in één vlak staan en de bloemstelen op het uiteinde van de bloeistengel zijn ingeplant. |
| Singel | Synoniem: houtsingel. Zie ook onder houtkant en houtwal. |
| Soortbeheer | Beheer van natuur gericht op het verkrijgen dan wel handhaven van gunstige leefomstandigheden voor een specifieke soort. |
| Spaartelg | Telg of loot van een hakhoutstoof die bij het afzetten van de stoof gespaard is om door te laten groeien tot een opgaande boom. Dit wordt ook op énen zetten' genoemd. |
| Spaartelgenbos | Bos voornamelijk bestaand uit spaartelgen: de "gespaarde" telgen van hakhoutstoven. |
| Steenvrucht | Vrucht met pit. |
| Steilhelling | Steile helling van bijvoorbeeld een rivier- of beekoever, holle weg of graft. |
| Stekgaarde | Een verzameling van bomen of struiken die door stekken zijn opgekweekt. Een stekgaard is bedoeld om op gemakkelijke wijze nieuwe stekken of zaden te kunnen oogsten. |
| Stempel | Het bovenste, meestal verdikte gedeelte van de stamper. |
| Steunblaadje | Bladachtig aanhangsel aan de voet van de bladsteel. |
| Stijl | Het smalle deel van de stamper, tussen vruchtbeginsel en stempel. |
| Stinzenplanten | Ingeburgerde sierplanten, veelal uit Midden- en Zuid-Europa, die beperkt zijn tot buitenplaatsen en oude tuinen. |
| Stobbe | Boomstronk, meestal ontstaan door hakhout. Ook wel stoof. |
| Stoof | Zie stobbe. |
| Strubbenbos | Voormalig (eiken)hakhoutbos van laag uitgegroeide bomen. |
| Struweel | Vrij dichte tot dichte, veelal spontane begroeiing van struiken. |
| Taxon / Taxa (m/v) | Algemene verzamelterm voor zowel soorten, ondersoorten en variëteiten als hybriden. |
| Tertiair | Geologisch tijdvak tussen circa 70 miljoen en circa 2 miljoen jaar geleden. |
| Tros | Bloeiwijze met kort- en langgesteelde bloemen, ingeplant op verschillende hoogten op een lange hoofdas. |
| Tweehuizige plant | Soort gekenmerkt door mannelijke en vrouwelijke bloemen op verschillende planten. |
| Tuil | Bloeiwijze waarbij de bloemen ongeveer in één vlak liggen. De bloemsteeltjes zijn daarbij van verschillende lengten. |
| Tweeslachtige bloem | Bloem die zowel stampers (vrouwelijk) als meeldraden (mannelijk) bevat. |
| Tweehokkige vrucht | Vrucht met twee zaden, gescheiden door een tussenschot. |
| Uitheemse soort | Soort die door de mens in een gebied is ingevoerd waar deze van nature niet voorkomt. Ook geïntroduceerde soort of exoot genoemd. |
| Vaaggrond | Jong bodemtype, waarin geen bodemvormend proces heeft plaats gevonden. Komt vooral voor in de kustgebieden en langs de grote rivieren. |
| Variëteit | Genetische variant binnen een soort, vastgesteld op grond van slechts weinig (één tot drie) kenmerken. |
| Veekering | Houtkant of houtwal opgeworpen om bos, akker of weilandpercelen te vrijwaren van ongewenste veebeweiding en vraat. Soms was het doel juist te voorkomen dat vee een bepaald perceel zou verlaten. |
| Veernervig | Blad met zijnerven die aan weerszijden van de hoofdnerf zijn ingeplant. |
| Veeweidebos | Bos waarin veebeweiding is toegestaan. Ook wel Hudewald genoemd. Dit bostype bestaat meestal uit verspreid staande knotbomen. |
| Vlechtrelict | Overblijfsel van een gevlochten haag. |
| Vruchtbeginsel | Onderste deel van de stamper dat het onvolgroeide zaad omvat. |
| Wastine | Verwaarloosd cultuurland met struweel of verspreide bomen. Ook heideachtig terrein met struiken. |
| Zaadgaard | Verzameling van levende planten of bomen met als doel hiervan zaad te winnen om nieuwe planten op te kweken. |
| Zaadbank | De in de bodem aanwezige nog kiemkrachtige zaden. |
| Zachthout ooibos | Rivierbegeleidend wilgen- en populierenbos dat periodiek en soms langdurig overstroomd wordt. |